Meer dan van afbeeldingen moeten we het bij geloofscommunicatie hebben van woorden, van liederen, van lezingen uit de Schrift. Op zondagen spreken we vaak een “credo” uit: de korte versie noemen we de Geloofsbelijdenis van de Apostelen, de langere heet de Geloofsbelijdenis van Nicea (het eerste Concilie: in 325). In de eerste eeuwen groeiden geloofsgemeenschappen geïsoleerd van elkaar.

Wat ze voor waar hielden in Noord-Egypte, werd bestreden in West-Turkije; wat centraal stond in Griekenland, was secundair in Zuid-Frankrijk. Vanaf de apostolische tijd waren er geloofsbelijdenissen in omloop. In de voorbereidingen voor het Concilie van Nicea en later voor het Concilie van Constantinopel (381) werd er gezocht naar een formulering die alles en iedereen tevreden stelde en die het moest uithouden tot het einde der tijden. Welnu, dat was te veel gevraagd. Zo’n concilie bevestigt bepaalde opvattingen en stromingen, maar neemt ook afstand en veroordeelt soms bepaalde stromingen. Maar een eeuw of zo later is er een nieuw concilie nodig. Taal verslijt, vernieuwt, verandert.

De vastgestelde geloofsbelijdenis werd hier en daar wel wat uitvoeriger, wat poëtischer gemaakt (‘Licht uit licht’ bijvoorbeeld). Dat gebeurde al vanaf de zogenaamde geloofsbelijdenis van de Apostelen. Het evangelie werd ook buiten de grenzen van het jodendom verkondigd. Paus Benedictus heeft eens gezegd dat de verbinding van het joodse evangelie met het Griekse denken voorbestemd was. Grieken, zei hij, hebben hun hoofd vol van het godendom boven hun hoofden. Ze lopen een beetje met hun hoofd in de wolken. En dat godendom heeft ook aardse uitlopers. En de Romeinen dan? Ook aan hen is het evangelie verkondigd. Romeinen zijn bekend om recht, bevoegdheid, gezag. God, voor hen, is de almachtige God, die bevoegdheden overdroeg aan Zijn Zoon. En die, op zijn beurt, droeg dat weer over aan zijn plaatsvervangers.

Zo bleef de geloofsbelijdenis geen uit Schrift-citaten opgebouwde tekst maar werd verrijkt door Griekse en Romeinse invloed. Denk eens aan die laatste, prachtige, golvende zin: ik geloof in de H. Geest, de H. katholieke kerk, de gemeenschap der heiligen …. Ach dat ritme, die poëzie, dat is Grieks. En wat is dan Romeins? Tot twee keer, een incisie in het eerste ‘Credo’: “de Almachtige Vader”…. Tja, die almacht van God. Dat is niet zo erg bijbels (ook al vind je het bijvoorbeeld in het boek Job) maar Romeins om de genadevolle invloed van God op macht te baseren. Maar Jezus doet dat anders. Jezus baseert alles op de goedheid van God en dat de God van Israël aangesproken moet worden met Abba, ‘vader’. Elke generatie, elke cultuur, elke geloofsgemeenschap verdiept zich in die geloofsbelijdenis. Er is meer dan alleen het Credo van de Apostelen of het Credo van het Concilie van Nicea. Dan bedoel ik niet alleen de belijdenissen uit de Schrift (“Jezus is de Heer”) maar ook latere belijdenissen. In de tijd van de Reformatie ontstonden veel geloofsbelijdenissen. Paus Paulus VI proclameerde een geloofsbelijdenis. En wij? Wat voegen wij toe aan de geloofsbelijdenis? Ik mag af en toe voorgaan in de eucharistie in Effata / Sint Dominicus. Daar zijn enkele prachtige geloofsbelijdenissen in omloop. Elke tekst is overdacht en eigentijds. Het schrijven van zulke geloofsbelijdenissen past dus bij een oude traditie. Het kritisch kijken en recenseren van zulke teksten ook past daar ook bij. 

Meer dan de geloofsbelijdenissen uit vorige eeuwen benoemen deze teksten het leven dat wij, als gelovigen leiden, geïnspireerd door Gods Geest. Het zijn uitwerkingen van de gaven van de Geest, waarover de apostel Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs: vertrouwdheid met God; kennisoverdracht; kracht om te genezen of om wonderen te verrichten; bezonkenheid en het vermogen te adviseren; inzicht en het vermogen tot onderscheiding der geesten; de gave van de profetie; wijsheid. Sint Paulus maakt op verschillende plaatsen opsommingen. De gave der talen zou er zo bijgevoegd kunnen worden. Latere auteurs, zoals Thomas van Aquino hielden vast aan het getal zeven. Op Pinksteren vieren we dat de Geest ons overkomt en ons toerust met eigenschappen die ons gedrag beïnvloeden en ons bestempelen tot christenen. De Geest is nog altijd bij ons, onder ons, is werkzaam in ons. Elke dag.

Eduard Kimman.