Sacramentsdag, op de donderdag na Drievuldigheidszondag, was een feestelijke herinnering aan de instelling van de eucharistie, die op Witte Donderdag thuis hoort maar in het gedrang van de Goede Week aandacht tekort kwam. Het feest ontstond in de 13e eeuw en Thomas van Aquino heeft veel bijgedragen aan de teksten van de liturgie. Op Sacramentsdag trok een processie, met een monstrans, door het dorp, door de velden, in een rondje om de kerk of, binnen, door de kerk: Volk Gods onderweg.

Wat moeten we vandaag er mee? Die woorden ‘Dit is mijn lichaam’ en ‘Dit is mijn bloed’ (van het Verbond) duiden op een mysterie, dat we niet echt doorgronden. Kernwoorden van het christendom. Zoveel weten we wel, maar de betekenis ontgaat ons.

Is het een verwijzing naar een offercultus? Hebben we het er moeilijk mee, omdat zo’n cultus ver van ons af is geraakt? Offeren oudtijds was verbonden met een offerplaats, een tempel. Semitische tempels (Baalbek, Jeruzalem) waren groot en indrukwekkend. Je voelde je verpletterd, klein gemaakt, bij het betreden van de tempel. De tempel was een heiligdom voor offers: een stier, een kalf, een bok, een duif. Opbranden. Iets mysterieus. Ik bied de godheid wat aan, en in ruil daarvoor vraag ik een gunst. Ik bid en offer om kwaad af te wenden en de godheid te smeken mij en mijn familie goedgezind te zijn. 

Maar de tempel is niet meer en er kunnen geen offers meer gebracht worden. In het jaar 70 wordt de tempel te Jeruzalem (waar God in Zijn heerlijkheid woonde) vernietigd en de helft van de bevolking van de stad vermoord door de Romeinen. Stel je voor: dit enorme heiligdom in puin. Welke indruk krijg je dan, lopend over die puinhoop? Niet langer de sfeer van mysterie, maar van verlies. Na 70 kom daar voor in de plaats, op den duur, het leerhuis (joden) of de feestzaal (christenen).

Theologisch moest de vernietiging van het heiligdom verwerkt worden: bijvoorbeeld in de Brief aan de Hebreeën wordt een theologie van het heiligdom gegeven en wordt duidelijk gemaakt dat christenen niet meer hoefden te offeren, want Jezus heeft zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer… (Hebr 9, 14). De Tempel komt in die Brief niet ter sprake maar het offeren in een heiligdom, de Tent van het Verbond, wel. De schrijver van die Brief beargumenteert dat het verlies van het heiligdom een uitdaging is tot een nieuw verbond met God. Alle verlies, alle zonde kan in ons leven de ingang zijn naar een nieuw leven, naar een nieuwe verhouding met God.

Het woord ‘offer’ ligt niet gemakkelijk. In de vorige eeuwen zijn miljoenen mensen geofferd: verkeersslachtoffer, oorlogsslachtoffer, slachtoffer van geweldsdelicten of van misbruik. We kijken nu toch wel wat anders naar de oorlogsleiders: Stalin of Churchill, die miljoenen jonge soldaten opgeofferd hebben om de overwinning te behalen. Er werd toch wat al te gemakkelijk beschikt over militaire acties. De kritiek op de oorlogszucht van politici hoort helemaal bij een moderne democratie, want een offergedachte is vreemd aan een consumptiemaatschappij.

En het begrip ‘zelfopoffering’ dan? Door de psychologisering gedurende de 20ste eeuw spreken we niet zo gemakkelijk meer over zelfopoffering. ‘Sloof je niet zo uit…’zeggen we gemakkelijk tegen elkaar. De “oude” gedachte van priesterroeping was: jezelf weggeven; bij het huwelijk: jezelf schenken aan de ander. Nu zeggen we: je moet eerst jezelf kennen, weten wie je bent en wat je kunt, voordat je jezelf mag geven aan een zaak. En hier raken we de zelfgave van Jezus Christus.

Dat brengt ons bij de kern van Sacramentsdag: 1. De Tempel is weg; de heilige plek waar je offers brengt, is weg; offers hoeven niet meer gebracht te worden, want Christus was dat ene, laatste offer. 2. Mozes (eerste lezing: Exodus: vervulling van de Wet van God) en Jezus leren dat gebed niet gericht is om de godheid tot andere gedachten te brengen en om onheil af te wenden, maar dat gebed ons helpt bij het bevroeden van de gedachten van de Heer. God brengt ons tot andere gedachten. Niet wij brengen Hem tot andere gedachten. Gebed is het zoeken van de Wil van God, zoals we dat zo vaak bidden in het ‘Onzevader’. 3. De zelfgave van Jezus Christus is het antwoord op onze vraag: wat wil God van mij? Wel een offer, maar het offer van een volwassen mens, van een wijs iemand, niet van een onvolwassene of van een heethoofd. Sacramentsdag is de aanwezigheid van een onzichtbare God in ieder van ons. We zijn onderweg, met onze medegelovigen, ons medemensen van vlees en bloed (Hebr 2, 14). God is present in ons. God trekt met ons mee. In de eucharistie zijn wij zelf het sacrament geworden. En de pelgrimstocht van eenieder naar het eeuwig gastmaal: dat is de (moderne) processie.

Eduard Kimman.