Overweging van Ted Schoof o.p.

Hand. 10, 34-43; Joh. 20, 1-9

Hoogfeest van Pasen.

Op deze paasmorgen, beste mensen, krijgen we vandaag in de viering de kans om wat te bekomen van alle geladen gebeurtenissen die zich de laatste dagen opstapel­den rond Jezus en de kring om hem heen: de volgelingen die hij zich gekozen had, enkele vrouwen die, net als zijn moeder, hem niet uit het oog verloren in die laatste volle dagen – die gingen vanaf Jezus' rumoerige, moedige intocht in Jeruzalem, de geladen afscheids­viering in de bovenzaal, het angstige wachten bij de Olijfberg, dan Jezus'  gevangen­neming, verhoor, veroordeling, executie en begrafenis. Waarna we moch­­­ten uitzien naar de verrassing van zijn opwekking op de derde dag. Verras­send genoeg, merkte u misschien, volgde daarop gisteravond in het paasevangelie geen echt goede afloop, en vandaag evenmin.

Van­nacht hoorden we als slot dat de vrouwen naar buiten vluchtten, buiten zichzelf van angst, en aan niemand iets ver­telden; vandaag horen we dan wel dat, van de erbij geroepen apostelen, Johannes in het lege graf tot geloof kwam, maar ook dat noch hij noch Petrus al uit de schrif­­t wisten dat Jezus móest opstaan, en gewoon naar huis teruggingen. Natuur­lijk besef­ten we wel dat dit niet het laatste woord was, tenminste niet bij de lezing van Johannes: er volgt een ontroerende ontmoeting van de opgestane Jezus met Maria Magdalena, die overigens ook eerst erg verrast is, en daarna verschijnt Jezus aan de twaalf, eerst zonder Thomas, die uitdruk­ke­lijk twijfelt aan het ver­haal van de anderen, dan door Jezus wél over­tuigd wordt. En ook Mt/ en Lucas bieden verhalen in dezelfde zin. Duide­lijk wordt tegelijk, ook door verschillen en zelfs tegen­spraken, dat de bericht­geving na Jezus' begrafenis verwarrend ver­loopt, de vertrouwde gang der dingen doorbréékt. Duidelijk lijkt in elk geval dat, ook toen al, de ver­halen bij Jezus' vertrouwelingen vooral stuiten op scepsis, - tot onze troost!  

De lezing ervóor, uit het boek Handelingen, beschrijft een veel latere situatie: Petrus, leider van de vroege kerkgemeenschap die intussen ontstaan is, wordt door een Ro­meins hoofd­man geroepen om voor niet-joodse gelovi­gen Gods goede nieuws te ver­kondi­gen. Hij ervaart daarbij met vreugde dat God dat ook voor hen heeft bestemd: `Nu weet ik dat God geen aanzien des persoons kent', verklaart Petrus, en legt uit dat Jezus kennelijk ook door God is aangesteld tot `rechter van levenden en doden', dzw. van álle mensen, ook niet-joden. Misschien is het woord `rechter' daarbij wat on­ver­­wacht, maar je moet bedenken dat in de traditie van bv. de Psalmen een `rechter' niet zomaar `onpartijdig rechtsprak', maar juist probeerde recht te doen aan arme en berooi­de mensen, hen kon bescher­men tegen mach­tige baas­spelers die hen onder druk zetten. Petrus kon dan ook publiek getuigen dat vol­gens alle profeten ieder die in Jezus gelooft gered zal worden. Sinds die aanstelling van Jezus tot `rechter' is de tijd van het heil aangebroken.

De afgelopen dagen hebben we in de liturgie proberen mee te leven met de kern­momenten van onze hoop op de toekomst die God ons beloofde, om daaraan nieuwe dynamiek te geven. We vierden die momenten eerst en vooral in sprekende sym­bolen en gebaren, in­drin­gender dan wat al­leen woorden voor ons oproepen: vuur dat duisternis verlicht en ver­warmt; een kaars die bron wordt van een zee van licht en saamhorigheid, en vóór ons uit-schijnt op de tocht door het leven; wa­ter dat een band schept met voor­gangers van eeuwen geleden, en waarin Jezus' herwonnen leven ook doorstroomde naar allen die zich bij hem willen aansluiten. Telkens zagen en hoorden we het uitgebeeld: hoe kwaad, duister­nis, schuld, lijden en dood verkeren in waar mensen (ondanks alles) op hopen: licht, bevrijding, genezing en vergeving, nieuwe schepping, nieuw léven, - allemaal öök in de lijn van de thema's die we in de 40-dagentijd telkens tegen­kwamen. De wóórden die we hoorden, wilden die symbolen en gebaren vooral verduidelijken en verhevigen: klaag­gebeden die onze ontreddering vrij en open durfden uit te spreken, oude liederen waarin een on­derdrukt volk toch durfde belijden dat Gods schepping goed en heilzaam is, en, in het tri­om­fantelijke verhaal van de Uittocht, dat het volkachter de lichtende wolk aan / de zee kon doortrek­ken, op weg naar Gods land, – en dit alles zou nog culmineren in de drama­ti­sche ommekeer in het lot van de geëxecu­teerde rabbi Jezus: zijn opwekking tot nieuw leven. Daarbij aanslui­tend is ons vandaag dan in de lezingen aangezegd dat Maria Magdalena op paas­morgen `in alle vroegte, nog in het donker' naar zijn graf kwam, en tot haar ont­steltenis zag dat de zware steen van Jezus' graf was weggerold. In verwarring holde ze weg om Petrus en Johannes erbij te roepen, maar die konden uit de ach­ter­gebleven grafdoeken alleen maar constateren dat er sinds Jezus' begrafenis iets onverwachts moest zijn gebeurd. De `an­de­re leerling', kennelijk Johannes, zou dan `tot geloof  gekomen zijn', maar verder sluit het evangelie alleen maar met de uitleg dat ze - wat dus ook geldt voor Petrus - `toen nog niet wisten wat de schrift zei: dat hij uit de doden móést opstaan'.  

Geloofden zij het, later? Durven wij het te geloven? Dat toch, uiteindelijk, de hoop het wint, de zware steen is weggerold, een klein vlammetje sinds die dagen is aan­gegloeid tot een stoet van licht, waarin ook onze wereld, ons leven, bevrijding en voltooiing kan vinden, de goede schepping die God voor ogen had?

      Onze vroege voorgangers, die groep rond Jezus, hébben het, na de eerste verwarring en schrik, inderdaad ge­loofd, zoals de latere verha­len bewijzen. Voor ons lijken die verhalen op heel wat punten misschien nogal ver­ward en wat fantas­tisch, maar ze bedoelen dan ook iets ongehoords weer te geven, iets dat buiten ons bereik ligt, waarvoor daarom geen duidelijke woorden zijn. Jezus is niet opgewekt tot `gewoon' nieuw leven, zoals verteld wordt van Lazarus of de jongen van Naïm, maar tot het soort leven dat het begin is van Gods nieuwe toekomst, een ongehoor­de, `ver­heer­lijkte' vorm van leven. De groep rond Jezus, te beginnen bij de vrou­wen die niet van Jezus' graf konden wegblijven, beleefden dat als een nieuwe ge­boor­te, waarbij ze gingen beseffen dat Jezus op een nieuwe wijze onder hen aan­wezig was gekomen, en dat daarom de manier van leven die in hem was opgelicht, die hoop gaf bij elke vorm van kwaad, lijden en schuld, niet klein te krijgen was, - dat die nieuwe vorm van leven ook dóó­r­gaat.  In andere teksten rond Jezus' verrij­zenis staat dat uitge­drukt in die mysteri­euze verwijzing naar Galilea, waarnaar de opgestane Jezus hen zal voor­gaan: in Galilea was zijn optreden begonnen, dat was de plek van de hoop, daar was door zijn genezingen en duiveluitdrij­vin­gen, door zijn ópkomen voor de armen en de verachte `tollenaars en zon­daars' en met hen te eten, duidelijk geworden dat Gods rijk, Gods nieuwe toe­komst, in Jezus aan het dóórbreken was. En vandáár zal de opnieuw aanwezige Jezus hen inspireren dit aan heel de wereld door te geven. 

Inderdaad is dit vlammetje aangegloeid en heeft zich als een lopend vuur ver­spreid. Want die eerste getuigen raakten niet uitgepraat over hun erva­ring dat Jezus opnieuw leeft en bij hen is, dat God om hem geeft, en om al zijn mensen, dat God niet toelaat dat kwaad en lijden het laatste woord hebben. Ze hadden de God aan het werk gezien die zich bij de Uittocht genoemd had: 'ik zal er zijn', die de steen wel moest hebben weg­gerold van Jezus' graf, en van hun bange hart. Die eerste groep leerlingen was zo radi­caal overtuigd van Jezus' nieuwe aanwezigheid dat ze de manier van leven die ze van hem geleerd hadden, met alle kracht gingen verkon­digen en in praktijk brengen. Dát, in elk geval, is het nieuwe feit van Pasen dat iedereen kan zien.

       Dat besef, dat geloof, doet de vragen van onze wereld en van ons persoonlijk leven / niet zomaar verdwijnen. De duisternis en de ontredde­ring zullen weer opdoe­men, pm omzze dagen misschien zelfs heel vaak. Maar de bood­schap van Pasen inspireert nog steeds tot een diep vertrouwen. Er is een bodem, een anker van hoop neergelegd in ons hart, waarmee we het diep­ste on­heil uiteindelijk toch aankunnen; waarin we ons kunnen optrekken aan de man van Nazaret, in wie de nieuwe uittocht zich al vol­trokken heeft, een nieuwe terugkeer uit de balling­schap al heeft plaats­gevonden. God heeft hem niet behoed voor lijden en dood, maar wel daaruit gered tot vernieuwd leven in een nieuwe toekomst. Die toekomst heeft God ook óns beloofd als we achter Jezus aangaan, zijn hand vast­grijpen, - dat mooie symbool dat we geschilderd zien in zoveel ikonen uit de oosterse kerken: Jezus als hij de heiligen van het oude verbond be­zoekt en meetrekt naar Gods nieuwe koninkrijk. Laten ook wij daarom voortzeggen wat oosterse christenen elkaar op deze dag toeroepen: Je­zus is opgewekt, ja echt `opgewekt', tot nieuw leven gewekt. Hij lééft en gaat ons voor, – of, zoals we hierna,bij de geloofs­belijdenis, zullen zin­gen: `De aarde is vervuld van de goedheid Gods, die gaat door alle nood, door heel het leven heen'. Wat we, als echo, nogmaals mogen horen na de communie: `Dan worden wij wakker van het eerste licht, alsof iemand ons bij naam en toenaam heeft geroepen'. Dan zullen wij léven.