Overweging van Hans Hamers.

2 Kronieken 36, 14-23 en Johannes 3, 14-21.

Thema: Keren naar het licht.

Het is vandaag zondag Laetare: de vreugde van de herkenning van de eerste lichtstralen, jawel, de lente, maar natuurlijk ook het vooruitzien naar het Paasfeest. Het beeld en ook subthema van vandaag is “keren naar het licht”. Bij dat beeld denk ik aan de eerste lentezon, als je zomaar even naar buiten loopt om de warmte te voelen van de zonnestralen. De zon trekt jou, en jij keert je naar de zon. Eenmaal die warmte gevoeld, is het goed. Even alleen die nieuwe warmte om je heen, die een winterlang weg was.

In de eerste lezing wordt in een notedop verteld dat het joodse volk zich van het verbond met God niets meer aantrekt. In godsdienstig opzicht: misdragende priesters, profeten die bespot worden en bovendien van het gegeven land wordt meer genomen dan God heeft toegestaan. Ziet u de overeenkomst met deze tijd waarin we de aarde uitputten? Doen wij ook zoiets niet? Enfin, het joodse volk, vooral de elite, werd in ballingschap gevoerd. Na 70 jaren liet Kores, de nieuwe koning van Perzië, het volk gaan. God heeft hem daartoe aangezet. In die 70 jaren kan het land herstellen van de roofbouw. En zo komt het joodse volk voor het uitgeruste land te staan. Zoals Mozes, zoals te zien is op de frontpagina van het liturgieboekje.

En wat is in her raamfragment daar prominent afgebeeld? Precies, het licht, de zon die het land vruchtbaar maakt. Het (terug)keren naar het land is ook een terugkeren naar het licht. En dat gegeven land is een onlosmakelijk deel van het verbond van God en het joodse volk. Helaas zien we dat dit binnen de huidige staat Israël verstaan wordt, als een exclusief recht, met alle gevolgen van uitsluiting en geweld die daar bijkomen. Wat betreft het gebruik van land in breder verband wijst ook paus Franciscus in de encycliek Laudato Sí op hoe we met de aarde, de schepping, waarin we leven om moeten gaan. Dit is deel van het verbond van God met ons mensen.

In de ballingschap had het joodse volk had heimwee. In het refrein bij de psalm, “aan de stromen van Babylon zaten wij neer en wij schreiden wanneer we dachten aan Sion” die tussen de lezingen gelezen is komt dit naar voren. In de evangelielezing is er ook zoiets dergelijks aan de hand. De gelezen tekst uit het Johannes-evangelie is deel van een gesprek van Jezus met Nikodemus. Nikodemus is een farizeeër die heel geïntrigeerd is geraakt door Jezus’ optreden, en Nikodemus laat merken aan Jezus dat er een verlangen is gegroeid bij hem naar een nieuw leven, waarin hij Jezus ten volle mag erkennen, en zich ook diep erkend mag weten door Jezus; als ‘jij bent een echt kind van God’. Hij verlangt een echte verwantschap van zielen, leven in een nieuw persoonlijk verbond met Jezus, als een nieuwe mens.

Leven in een persoonlijk verbond, vraagt een en ander, zoals God ook aan het joodse volk voorlegt om te leven naar het verbond. Jezus zegt dat leven in het verbond leven in het licht is, erbuiten in het duister leven, is in zonde dus.

Hoe zijn wij? Kunnen we ons spiegelen aan Nikodemus? Dus hoe, dus willen en/of kunnen, wij leven in ons persoonlijke verbond met Jezus? Verlangen wij dat ook zo vurig als Nikodemus? In de evangelietekst wordt door Johannes de Mensenzoon ‘omhoog geheven’ als een licht in de wereld “zodat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit”. Hoe is deze verheven taal wat dichterbij te brengen? Daar is heel erg veel over te zeggen. Ik breng daarom maar iets naar voren dat dicht bij huis is: Ik denk dat leven in het verbond onder andere vraagt van ons om los te maken van het streven naar status, het najagen van bezit, het overmatig consumeren, en vooral ook Gods schepping goed beheren, dus ook niet meer nemen dan nodig is. Met andere woorden, duurzaamheid nastreven en bevorderen, wordt binnen het verbond gevraagd. Dit nalaten is dan zonde. Het leidt ons af van de weg naar Gods blijvende nabijheid. Niet zo leven is een leven in duisternis, afgekeerd van het licht, zoals de evangelist Jezus laat zeggen.

Dus als we bij de volgende lentezon naar buiten gaan, misschien straks wel op weg naar huis, en we keren ons naar het warme licht van de zon, laten we dan in gedachten nemen dat we ons mogen overgeven aan Hem, Jezus de Mensenzoon, het licht dat in de wereld is gekomen voor ons mensen, als vrucht van het verbond van God met de mensen, met alles wat daarbij komt kijken. Laten we ons daarin verheugen!

Amen