Overweging van ds. Hans Noordeman

Wijsheid 7,7-11, en Marcus 10, 17 – 30.

Bezield verbandviering.

Ik moest bij het lezen van de evangelietekst van vanmorgen —die cirkelt om de vraag van een mens naar de stappen die hij moet zetten om het eeuwig leven te verwerven— 

denken aan het bekende gedicht van Vondel dat hij maakte bij het sterven van zijn zoon “Kinder Lyck”.

Een gedicht, waarin ons als het ware vanuit de eeuwigheid troostende woorden worden toegeroepen .

Daarover wil ik het vanmorgen niet hebben; het gaat me vooral om de laatste regels

 Leer dan reizen met gepeizen

naar pallaizen, uit het slick

dezer werrelt, die zoo dwerrelt.

Eeuwigh gaat voor oogenblick.

 Juist bij de laatste regel,Eeuwig gaat voor ogenblik  zou ik een vraagteken willen plaatsen.

Vondel prijst de eeuwigheid aan als een te begeren toestand: 

’t oog omhoog, ’t hart naar boven, hier beneden is het niet…..

Een vraagteken dus, dat is, wat de evangelietekst ons hierbij laat plaatsen.

Jezus bepaalt de man nadrukkelijk bij het volle leven hier en nu.

En hoewel hij inbrengt dat hij toch alle geboden heeft onderhouden gaat Jezus  daar helemaal niet op in maar zegt hem:

 “Eén ding ontbreekt je: maak je los van je bezit, maak je los van wat je bezet houdt en kom dan nog maar eens terug om mij te volgen.”

En we weten hoe het afloopt: de man schrikt ervan en gaat verdrietig heen.

Het gaat Jezus eigenlijk altijd weer om het leven van vandaag de dag. 

Hoe je daarin omgaat met de mensen, die op je pad komen, met de wereld om je heen en hoe je God daarin een plats geeft. 

Daarbij is de vraag naar eeuwig leven begrijpelijk, maar niet  de belangrijkste vraag.

En dan wordt het ogenblik ineens belangrijker dan de eeuwigheid.

Het is met een vraag over dit laatste, zijn geestelijk leven, dat de man naar Jezus komt: Goede meester, zegt hij, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?

U moet weten, dat dit dé vraag is, van het jodendom van Jezus’ dagen. 

Hèt discussieonderwerp, van de spirituele stroming van de Farizeeërs. 

Typerend voor hen is, dat zij een figuurlijke ladder tegen de hemel hebben gezet. 

Om hogerop te komen in je verhouding tot de Eeuwige, moet je zo nauwgezet mogelijk alle 613 ge- en verboden uit de thora volbrengen. 

Zij doen daar over het algemeen ontzettend hun best voor. 

Het zijn toegewijde mensen, die echt iets over hebben voor hun geloof. 

Maar de vraag die hen bezighoudt is - wanneer heb je genoeg gedaan? 

Hoe weet je, of je bovenaan bent gekomen? 

Met deze vraag gaan zij naar ‘goede meesters’, van wie ze verwachten dat die hen verder kunnen helpen. 

De hooggeplaatste man gaat ermee naar Jezus. 

Je kunt er dan ook van uitgaan, dat het écht een vraag voor hem is. 

Het zit hem dwars: Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?

Waarom noemt u mij goed?, zegt Jezus, Niemand is goed, alleen God.

Een vreemde reactie. 

Eigenlijk helemaal niet zo aardig. 

De man benadert hem immers uiterst respectvol. 

En zijn vraag is doorleefd. 

Waarom moet Jezus hem dan meteen corrigeren? 

Alsof hij een klein kind is? 

En dan komt hij ook nog eens met een antwoord dat eigenlijk voor beginners is. 

U kent de geboden: 

Pleeg geen overspel, 

pleeg geen moord, 

steel niet,

leg geen vals getuigenis af, 

toon eerbied voor uw vader en moeder. 

 

De man reageert, begrijpelijkerwijs: Maar aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden! 

Dit is het abc van geloven! 

U hebt het nu over de onderste treden van de ladder! 

Dan doet Jezus iets verrassends. 

Je verwacht dit niet. 

Hij schiet ineens door naar een hele hoge trede op de ladder van de Farizeeërs. 

Hij komt met een 614- de gebod. 

Hij zegt: Nog één ding ontbreekt u: 

Verkoop alles wat u hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, 

dan zult u een schat in de hemel bezitten. 

Kom daarna terug en volg mij!

Heeft u zich wel eens afgevraagd wat u zou doen als u moest vluchten en drie dingen mee mocht nemen, welke dat dan zouden zijn?

Weet u het direct of belandt u in een beweging van dilemma’s en afwegingen omdat u zo veel bezit dat er geen keus te maken valt?

Jezus zegt tegen de man “nog één ding ontbreekt u…

Jezus stelt de man niet alleen voor een onmogelijke opgave. 

Het is ook een irrationele eis. 

Je vraagt je dan ook af, of dit 614-de gebod wel letterlijk genomen moet worden. 

Elders in de evangeliën is Jezus immers helemaal niet zo van ge- en verboden. 

Hij neemt ze over het algemeen ruim. 

Het leven is belangrijker dan de leer. 

De sabbat onderhouden, bijvoorbeeld? 

Dat betekent niet, dat je niets mag doen. 

En dat je dus geen hand uitstrekt naar een mens in nood, op deze dag. 

Maar dat je vrij bent voor God en voor elkaar. 

En je handen juist wel vuilmaakt, voor iemand in moeilijkheden. 

Daarom is het goed mogelijk, dat je ook dit 614-de gebod niet al te letterlijk hoeft te nemen. 

Misschien zègt Jezus wel: Verkoop alles wat je hebt, en volg mij. 

Maar bedóelt hij: Laat je niet in bezit nemen, door je bezit. 

Heb het, alsof je het niet hebt. 

Wees er innerlijk vrij van. 

Wees er, voor God en de mensen. 

En volg mij. 

Vermoedelijk weet Jezus wel, heeft hij zoveel mensenkennis, dat de man het niet zal doen.

Maar misschien wil hij de man laten voelen hoe belangrijk het voor hem is iets te hebben, te bezitten.

Dat hij zijn spullen niet zomaar achter kan laten. 

Dat ieder mens ook eigenlijk niet zonder kan. 

En hij hoopt, dat hij daardoor dichterbij mensen komt te staan, 

die in dit opzicht kwetsbaarder zijn dan hij, 

en zo ook dichter bij God en het door hem zo vurig verlangde ‘eeuwige leven’. 

Het leven, waar Jezus in is voorgegaan: Van delen, en gemeenschap vinden.  

Een leven hier en nu; hij moet leren het ogenblik te bewonen, leren dat hebben het zijn in de weg kan staan.

De man gaat verdrietig heen, diepbedroefd, ontdaan zelfs.

Hij is wel zeker geraakt door Jezus’ woorden, en het zal hem aan het denken hebben gezet.

Hoe anders vertrekt hij dan hij gekomen is…

Hij had al een ladder tegen de hemel gezet, 

om in geestelijke zin steeds hogerop te komen, 

net zoals hij dat in maatschappelijke zin had gedaan.

Alleen die ene beslissende tip moest hij nog krijgen 

en daarvoor komt hij bij de goede meester Jezus..

En nu gaat hij heen, als was hij van de ladder gevallen.

Hij vindt zichzelf daar staan met lege handen…….

Hij heeft alles, 

maar hij moet nog mens worden, 

een nieuwe houding zoeken, 

loslaten wat hem bindt, 

leeg worden, 

ruimte scheppen……

En misschien kan je dan ontvangen, 

waar je naar op zoek was, 

een andere rijkdom, in geestelijke zin.

In je verhouding tot mensen, en tot God.

eeuwigheid en ogenblik…….

hebben en zijn…..

Hebben……. en zijn…….. mooier dan  Ed Hoornik kan ik het niet zeggen…:

Op school stonden ze op het bord geschreven.

Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;

Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,

De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.

Is van de wereld en haar goden zijn.

Zijn is, boven die dingen uitgeheven,

Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.

Is naar de aarde hongeren en dorsten.

Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,

Is kind worden en naar de sterren kijken,

En daarheen langzaam worden opgelicht.

 

Op wat je hebt, kun je een zekere controle uitoefenen

.Je huis, je bankrekening, je carrière, je tuin. 

Maar op wíe met je zìjn niet.

Op je geliefde, als je die hebt, je ouders, 

je kinderen, als je die hebt, je vrienden – en op de Eeuwige. 

De mooiste momenten van gemeenschap vallen je eigenlijk altijd toe. 

Oefenen in ontvankelijkheid, en dan zien, soms even, 

dat je rijkdom vindt in het ogenblik, de oogwenk die ons leven  is, 

en heeft dat dan geen eeuwigheidswaarde?  

Amen.