Overweging van Hans Hamers.

Micha 4, 1-5, en Johannes 21, 15-24

Viering Effata en DoRe-gemeenschap.

Als we de media volgen, dan wordt daar veel aandacht besteed aan de leiders in onze wereld. Meestal zijn dat wereldlijke, politieke, maatschappelijke leiders, in mindere mate religieuze of geestelijke leiders. Het ook wel een beetje vanaf welke krant je leest en welke websites je bezoekt. We lezen en horen dan vooral wat de heren, helaas meestal heren ja, doen of van plan zijn, wat hun ambitie is, en soms hoor je welk ideaal ze hebben. Meestal hoor je wat nu echt noodzakelijk is om te doen want er zijn grote problemen. Maar bij vooral politieke leiders hoor eigenlijk nooit wat zij vinden wat hun leiderschap echt ten diepste grond geeft. Bij religieuze en geestelijke leiders wil daar nog wel iets van doorklinken. Maar … leiderschap is ook iets dat van toepassing is op jezelf. Vaak worden hier woorden van regie nemen of regie houden aan gegeven, vooral in de zorg kom je dit taalgebruik tegen en dan heeft het vrijwel altijd te maken van autonomie van de patiënt, veel minder over afhankelijkheid en overgave. Het evangelie van Johannes dat we zojuist gehoord hebben, gaat over de grond van leider zijn.

In het evangelie verplaatsen we ons naar de oever van het meer van Tiberias. Johannes verhaalt on wat zich daar op een morgen afspeelt. Jezus is na zijn verrijzenis verschenen op de oever, terwijl de leerlingen, op initiatief van Simon Petrus, aan het vissen zijn. Zij vangen nagenoeg niets, maar de verschenen man op de oever wijst ze waar ze de netten moeten uitgooien om wat te vangen. En ze vangen veel, heel veel. Ondertussen heeft Jezus al een maaltje bereid, als de leerlingen de boot op de oever trekken. Na de maaltijd ontstaat er een tweegesprek. Een behoorlijk ongemakkelijk tweegesprek tussen Jezus, want Jezus vraagt Simon Petrus tot driemaal toe ‘Heb je mij lief?’, dus, wat eigentijdser gezegd: ‘Hou je van me?’. Als je die vraag gesteld wordt, dan roept dat direct van binnen van alles op, zeker als je dan ook nog wordt gevraagd of je meer dan van de anderen houdt! En als je niet direct antwoord, dan antwoord je met twijfel, en hoe wordt dat dan ontvangen door de vraagsteller. Hoe ongemakkelijk! 

Dat Jezus deze vraag driemaal stelt is ligt natuurlijk direct in het verlengde van wat eerder gebeurd is: in de aanloop naar de voordeling de kruisdood van Jezus, de drievoudige verloochening door Petrus. In het tweegesprek is Jezus bezig met herstel van de relatie. Dat gebeurt door Jezus omdat hij antwoordt op Petrus’ antwoord met het toevertrouwen van zorg: “Weid mijn lammeren”, “Hoed mijn schapen”, en “Weid mijn schapen”.  Jezus kiest Simon Petrus om zijn schapen te hoeden, dus om herder en leider te zijn, maar dan zoals Jezus zelf is geweest. Niet autocratisch maar in innige verbondenheid met God de vader. Hij houdt  hem voor hoe het zal vergaan, met geboeide handen gebracht worden naar een plaats waar hij niet heen wil: een voorafbeelding van Petrus kruisdood. Zo’n leider dus, geen heldhaftige.

Het leiderschap van Simon Petrus wordt gevestigd op, gefundeerd door, de liefde. In het tweegesprek vraagt Jezus niet of Petrus vertrouwen in hem heeft, of dat hij denkt dat hij zijn boodschap goed zal kunnen verkondigen. Nee, in dit sollicitatiegesprek wordt alleen over de liefde gesproken. In de eerste Johannesbrief (4,16) staat ook: “God is liefde, wie in liefde blijft, blijft in God, God blijft in hem.” En in hoofdstuk 15 van het Johannesevangelie zegt Jezus ook: “blijf in mijn liefdeJe blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik e ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde verblijf”. Er wordt met ‘geboden’ wel een kader gesteld waarbinnen die liefde werkt. En dan gaat het om een persoonlijk kader, een kader van kiezen voor liefde. Daar stuurt die drievoudige vraag “Heb je mij lief” op aan. Een keuze voor Jezus, verblijvend in zijn liefde, en te kiezen voor de geboden: Weid en hoed mijn lammeren en schapen. 

Het gaat om een keuze voor een persoonlijke relatie tussen Jezus en Simon Petrus. Dat wordt benadrukt met het vervolg waarop Jezus tegen Petrus zegt: “Volg mij”, en ookdoordat dat de geliefde leerling wordt terugverwezen met “Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom. Maar jij moet mij volgen”. Persoonlijk dus. 

Zoals eerder gezegd, Jezus kiest Simon Petrus om herder/leider te zijn. Een leiderschap dat ingebed is in liefde, gefundeerd is op die liefde. De vraag die daarbij hoort: hoe moeten we ons dat voorstellen? Wat kunnen we er mee? Om hierop een antwoord vinden, kijken wij snel naar hoe we zelf liefde ervaren, dan wel met liefde omgaan. Op het gevaar af wat al te vrijelijk te psychologiseren, schiet mij dan toch de term zielsverwantschap te binnen. Twee zielen die bij elkaar passen, elkaar aanvullen, voor elkaar kiezen, en aan elkaar overgeven. Overgave aan elkaar als essentieel kenmerk. Voor geliefden is hier wel een voorstelling van te maken, maar ook voor de ontmoeting met de vreemde, de vage kennis? 

Met de frase “God is liefde” alleen, kom je niet ver. Als geestelijk verzorger in de zorg moet je dat niet tegen een willekeurige patiënt zeggen. Het gesprek zal vrijwel zeker niet echt iets meer worden.

Maar met zoals in de eerste Johannesbrief (4,16) staat “God is liefde, wie in liefde blijft, blijft in God, God blijft in hem.” dan is Gods liefde ook te beantwoorden in de ontmoeting met de vreemdeling, de toevallige passant. In een ontmoeting ligt een wederkerigheid besloten, juist vanwege “God blijft in hem”. Een wederkerigheid, die ook de vorm van afhankelijkheid of overgave kan hebben. Gelovend dat Gods liefde in ieder mens leeft, moge het zo zijn dat we ons verder zullen oefenen om met ons hart, ziel en verstand die liefde te realiseren voor leiding over onszelf en anderen.

Amen