Overweging van Jan van der Wal.

Hand. 4, 8-12 en Joh. 10, 11-18.

Thema: Wij worden gekend.

Het beeld van de Goede Herder dat Johannes hier gebruikt, is een oud beeld, dat wortelt in de geschiedenis van Israël. God is herder, Hij leidt zijn volk als een kudde naar grazige weiden. De koningen van Israël oefenden die taak op aarde voor Hem uit, maar zij schoten dikwijls tekort. 

Maar het verlangen bleef naar een beschermer en voorganger van het volk, iemand die zijn volk zou verlossen van ballingschap en onderdrukking. God belooft ten slotte om een nieuwe Redder te zenden om in de noden van mensen te voorzien, zodat ware gerechtigheid wordt gebracht. De geleidelijke samensmelting van het verlangen naar een messiaanse figuur die tegelijk koning, profeet en herder is, komt samen in het leven van Jezus.

Johannes gebruikt in zijn Evangelie in tegenstelling tot de andere evangelisten geen parabels om de komst van het Koninkrijk te verduidelijken. Hij gebruikt beeldspraken die de toenmalige lezers direct verstonden. Om de identiteit van Jezus te verduidelijken en vast te stellen, gebruikt hij krachtige beeldspraken, die ontleend zijn aan het Oude Testament. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, het levende Brood, ik ben de ware wijnstok, ik ben de deur, het licht der wereld. We horen er de beroemde uitspraak van God terug: “Ik ben die is”.

Wat zou nu de achtergrond zijn van de beeldspraak: Ik ben de goede herder? We zijn hier – voor een goed begrip - ver verwijderd van de romantische opvattingen over herderstaferelen die in latere tijd zo populair werden. Herder-zijn was een gehard, zwaar en taai beroep, niet iets om naar te verlangen. 

Herders en schapen stonden bloot aan vele gevaren, de herders moesten ervoor zorgen dat hun kuddes schapen ’s avonds naar een gemeenschappelijke schaapskooi werden gebracht, waar ze veilig werden bewaakt door een deurwachter. ‘s Ochtends vroeg riepen de herders hun eigen kudde schapen weer naar buiten. Blijkbaar herkenden zij de stem van hun eigen herder en stroomden dan een voor een naar buiten.

In de gemeente van Johannes was waarschijnlijk een conflict ontstaan, dat te maken had met het messiasschap van Jezus. Sommige gelovigen waren ontgoocheld en gingen eigen wegen, wilden hun kerkelijke schaapskooi verlaten en zich aansluiten bij andere groeperingen. Daarbij sleepten ze ook andere gemeenteleden mee. Zo gaat dat tegenwoordig nog wel. Teleurgestelde mensen herkennen zich niet meer in de kerk waar ze opgroeiden, gaan eigen wegen maar verbreken daardoor ook de eenheid die voor verbondenheid en veiligheid zorgt. 

De beeldspraak van de Goede Herder is het verhaal van de individualisering van onze tijd. Mensen voelen zich snel ergens niet meer thuis, en zoeken hun heil overal, er zijn immers ook zoveel mogelijkheden. Diversiteit is een modewoord, populair omdat het respect lijkt op te brengen voor allerlei uitingsvormen van moraal, cultuur en religie. Maar of er in die veelheid ook eenheid en verbondenheid tussen mensen kan ontstaan, is maar zeer de vraag. 

In Jezus’ tijd, maar niet minder in de onze, was en is er een grote behoefte aan verbinding. Aan wie kunnen mensen van nu zich toevertrouwen, wie kent hun bij name, wie ziet hun eigenheid en vergeeft hun misstappen? Welke leiders zijn betrouwbaar en dienstbaar? Met andere woorden: Door wie worden wij gekend? 

Wij worden gekend, dat is onze overtuiging, door een Herder die God ons gezonden heeft en messiaanse gestalte heeft gekregen, Iemand die zich offerde voor zijn ideaal opdat velen leven zouden ontvangen. Wij willen Hem kennen, en wij worden gekend. Zoals een herder voor zijn schapen zorgt, zo zorgt Jezus voor onze gemeenschap, die Hij bij name kent. En wij willen in Zijn naam zorgdragen voor onze gemeenschap. De Geest van Jezus zorgt dat er verbindingen ontstaan tussen mensen, binnen maar ook buiten de schaapskooi.

Zorg hoort dus wezenlijk bij kennen en gekend worden. Een aantal weken geleden sprak ik een cliënt in onze instelling die een treffende uitspraak deed: “er zijn mensen die zorgen voor mijn eten en drinken, mensen die mij wassen en verzorgen, weer anderen die medicijnen en therapie geven, mensen die zorgen dat alles er netjes uitziet. Maar wie zorgt er nu voor mij?”

Zo is het precies. Als wij niet gekend worden zoals we zijn en omwille wie we zijn, schiet alle zorg tekort. Zoals schapen gekend zijn door de herder en veiligheid vinden, zo willen mensen zich gezien voelen, ontmoet worden in hun menszijn. Goede zorg maakt ons groter, geeft vertrouwen en schept kracht.

Verbondenheid ontstaat omdat - indien je je gekend weet - een geborgenheid en diepere eenheid kunt beleven. Je bent deel van een gemeenschap, onderdeel van een relationeel netwerk dat wederzijdsheid en onderling vertrouwen uitstraalt. 

Daarin ligt waarschijnlijk de ziel van ons kerkzijn verborgen. Dat wij hier door elkaar gekend zijn en weten dat we bij elkaar horen, verbonden als onze levens zijn door een groter ideaal dat toegang geeft tot onze diepste kern, en tegelijk openheid verschaft voor de samenleving die een echte goede Herder zozeer nodig heeft.

Amen.