Overweging van René Klaassen.

Ex. 24, 3-8en Mc 14, 12 – 16 + 22 – 26

 

De eerste lezing, exodus, neemt ons mee naar de berg Sinaï. Midden in de woestijn tussen Egypte en Israël. Een indrukwekkende, ontzagwekkende berg in een onherbergzaam gebied. Ze geloven dat God op die berg woont. Mozes immers is daar boven , bij God dus, de tekst voor een verbond gaan halen. Het joodse volk ondergaat aan de voet van die berg, een ritueel, een heilig ritueel, uitgevoerd door Mozes, een bloedoffer met het bloed van stieren. Door het bouwen van een altaar stelt Mozes God aanwezig. Hij verdeeld het bloed in twee gelijke delen. Met het ene deel zegent hij het altaar, waarmee het verbondsgedeelte van de Goddelijke kant benadrukt en het andere deel sprenkelt hij uit over het volk, om het volk bewust te maken van zijn belofte aan God. Gedeelde wederkerigheid. Ze beamen duidelijk de aan hen voorgelezen tekst : ‘Alles wat de Heer zegt, zullen wij doen en ter harte nemen.’ Het is een ritueel dat we hier en nu niet meer zouden moeten doen. De kerk zou waarschijnlijk grote problemen krijgen met de partij voor de dieren. En de plek, aan de voet van die ontzagwekkende berg, associëren we niet, ook niet een beetje, met het sacrament van de eucharistie. 

Maar toch : Op de voorkant van onze boekjes staat : vandaag is het Sacramentsdag.

De tweede lezing die we hoorden doet ons op de eerste herinneren aan de Paastijd. Witte Donderdag is immers de dag die we direct in verband brengen met het vieren van de eucharistie, het vieren van alle bijeenkomsten waarin we brood en wijn met elkaar delen. De agape maaltijden waren immers de oudste vorm van dit nadoen en gedenken van de opdracht die Jezus zelf ons gaf op de laatste avond van zijn leven.

De instelling van de eucharistie plaatsen we vooral op Witte donderdag. Maar toen was Jezus zelf er nog bij aanwezig. Vandaag, kerkelijk gezien zijn we in de tijd na Pinksteren horen we die lezing terug, maar nu in het licht van de aarzeling : “hoe moet het nu verder zonder Jezus zelf ?”, maar tegelijkertijd wél mét de zekerheid van zijn Geest. Het gaat vandaag om een sacrament, een heilig ritueel, “sacer” (latijn) staat voor heilig. Een ritueel dat bedoeld is om Heilig makend te zijn. Om God aanraak baar te maken en voor God de mogelijkheid te bieden om ons te raken.

Zowel aan de voet van de berg Sinaï, als in de bovenzaal van het huis van samenkomst in Jeruzalem als hier en nu is er spraken van een altaar. De plek bij uitstek om God aan te raken en aangeraakt te worden door God.

Kerkelijk gezien is het slim bij elkaar bedacht. Om aan de eucharistie mee te mogen doen, moet je gedoopt zijn. Je weet dus al wat een sacrament is, voordat je voor het eerst aan het sacrament van de communie mee mag doen. Alle rituelen, waarbij God en Jezus heel dicht bij komen, voor mensen aanraak baar worden en waarna de Geest verder heel dicht bij zal blijven, heten sacramenten.

En vandaag heet Sacramentsdag omdat we het over het belangrijkste sacrament van allemaal hebben ? Althans, dat kun je geloven, want op de dag van je doopsel is het doopsel het belangrijkst en op de dag van je communie is de communie het belangrijkst en op de dag van je huwelijk is je huwelijk het belangrijkste en op de dag van je priesterwijding is die het belangrijkst. Dat kun je ook geloven. En volgens mij ben je in beide gevallen op de goede weg. Ik sluit zelfs niet uit dat wanneer je nooit een sacrament hebt ontvangen, dat je toch op de goede weg kunt zijn.

Op catechese momenten leg ik het wel eens als volgt uit. Dit brood is een gewone hostie en dit brood is een heilige hostie, een gezegende hostie. “Wie kan het verschil zien ?” Gewoonlijk blijft het dan stil en zegt er iemand dat je het niet kunt zien. God kun je immers ook niet zien.

Maar de volgende vraag brengt ons verder: “kun je het verschil dan misschien proeven?”. Gewoonlijk blijft het dan ook stil .. en in die stilte kan het gebeuren door een gewoon stukje brood te eten wordt je gevoed, krijg je energie. Maar door het eten van dat gezegende brood kan God bij je binnen komen. Jij geeft God de ruimte bij jou te komen, je geeft God de kans jou aan te raken en tegelijk besluit jij zelf om God binnen te laten.

En dan doen we precies wat God en Jezus van ons gevraagd hebben. We sluiten een soort van verbond om het heel plechtig te zeggen.

Dat gebeurde al heel lang geleden aan de voet van de berg Sinaï, het gebeurde in Jeruzalem op de avond van de laatste maaltijd van Jezus met zijn vrienden en …. Wanneer we goed opletten, gebeurt het ook aan ons … hier en zo dadelijk ….  en ‘Amen’ is het woord waarmee het bekrachtigen.