Overweging van Frits Muller.

Handelingen 10, en Johannes 15, 9-17.

Thema: In liefde verbonden.

“Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden

(......) zoals liefde met een blik, een aanraking, iets dat je opvalt in een stem (....) 

Jezelf een vraag stellen daarmee begint verzet. En dan die vraag aan een ander stellen”. Woorden van Remco Campert die op vrijdagavond 4 mei klonken op de Dam, kort na 8 uur.

Zoals verzet begint met vragenstellen, zo is dat met liefde ook, en ook nodig.  

Vorige week hoorden we onder het thema “verbondenheid” hoe Jezus de leerlingen duidelijk maakte dat zij met hem verbonden blijven, zoals wijnranken met de wijnstok.

In de overweging vroeg Joost Koopmans zich af wat dat in onze tijd betekent, een tijd waarin zelfverwerkelijking en individualisering voorop staan en zovelen menen dat de band met het verleden en met een dragende gemeenschap er nauwelijks toe doen. 

De beide lezingen van vandaag zijn een vervolg op die van vorige week. Ook vandaag is het woord blijvendeen sleutelwoord. En vandaag wordt een ruimtelijke, een universele dimensie daaraan toegevoegd. 

We zijn immers op weg naar Pinksteren, het feest dat de verspreiding van het christelijk geloof naar alle volkeren markeert.

In het Johannesevangelie spreekt Jezus, vanuit het besef van zijn spoedig levenseinde, over de liefde die de Vader en Hemzelf verbindt met de leerlingen. 

Als je aandachtig leest, zie je dat daarbij alles uitgaat van de Vader; met Hem begint en eindigt de lezing: 

We hoorden: “Met de liefde die de Vader mij heeft toegedragen heb ik jullie liefgehad “.

En: “Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam, Hij zal het je geven”.

   Ook in de lezing uit de Handelingen speelt God de Vader een sturende rol. 

Zowel Petrus als de gelovige Romeinse legeraanvoerder Cornelius krijgen een visioen. 

De ontmoeting die hen van daaruit bijeenbrengt, krijgt een betekenis die het feitelijk gebeuren ver overstijgt.    

Het begint met een geheimzinnige aankondiging: in het visioen van Petrus wordt het onderscheid tussen alle reine en onreine dieren van de aarde door de Eeuwige ongedaan gemaakt.

Dat helpt Petrus bij de ontmoeting met Cornelius inzicht te krijgen in Gods bedoeling: dat er geen aanzien des persoons zal bestaan en dat niet alleen joden, maar gelovigen uit alle volken in de christelijke gemeenschap welkom zijn. 

Dit wordt bevestigd door de uitstorting van de H. Geest en door de doop van Cornelius, als eerste niet-jood, in de naam van Jezus. Een historie die het begin van de verspreiding van het christelijk geloof over de wereld wil markeren.   

In het intieme evangelieverhaal versterkt Jezus de band met zijn leerlingen door hen zijn “vrienden” te noemen. Aan hen draagt Hij zijn taak over: blijvend vrucht te dragen in de wereld.

Dit Johannesevangelie ontstond meer dan een halve eeuw na de gebeurtenissen die we in de eerste lezing hoorden. Het elan van de eerste christengemeenschappen is gestuit op de weerbarstige dagelijkse werkelijkheid en de breuk met de joodse religieuze machthebbers rondom de tempel is definitief geworden. 

Die hadden het Thora-geloof – ik citeer de dominicaan Jan Nieuwenhuis – laten verworden tot een “hiërarchisch vérkoop en -bewaarcentrum van de Eeuwige”.  

Deze breuk met de synagoge heeft diepe wonden geslagen en we horen in Jezus’ woorden hoe het verder moet: niet door de regels van het Thora-instituut te volgen, maar door het nieuwe gebod te volgen: elkaar lief te hebben zoals de Vader de Zoon heeft liefgehad en de Zoon zijn volgelingen.

Waar het de liefde betreft zijn wij – vanuit de Schriften gezien - in de eerste plaats ontvangers. Het is God immers die het gesprek met Israël en met de mensheid is begonnen. Zo schrijft Johannes in zijn eerste brief (1 Joh. 4, 10): Niet wíj hebben God liefgehad, maar Hij heeft óns liefgehad. En Jezus sluit daar vandaag op aan met: “Niet jullie hebben mij uitgekozen, nee ik heb jullie uitgekozen...” 

“Liefde ontvangen wij...” schrijven de evangelisten, omdat zij in Jezus van Nazareth iemand ontmoet hebben in wie die liefde zichtbaar werd: zij zagen hoe Hij zijn volgelingen dieliefde voorleefde. Hij aanvaardde en beminde de zijnen en van daaruit kon hij ook zijn gebod aan óns doorgeven: “Heb Uw naaste lief als uzelf, Ik ben de Heer”.

Martin Buber vertaalde dan met: “Heb u naaste lief, hij is als jij...” 

Jij zit in hetzelfde schuitje als ik, en jij bent vast heel anders, maar even kwetsbaar als ik.

Zelfs waar slechts twee mensen op aarde met goede bedoelingenbijeen zijn, daar is God als derde aanwezig; daar is liefde. 

“Dit is mijn gebod, dat jullie elkaar liefhebt, zoals ik jullie heb liefgehad.” En op dat gebod volgt een vraag.

“Jezelf een vraag stellen daarmee begint liefde. En dan die vraag aan een ander stellen.”

Maar elkaar liefhebben in een geloofsgemeenschap?

Hoe doe je dat?

Misschien begint het antwoord wel bij het “klein houden” van onze liefde, onze liefde vanuit geloof en religie.

In het boek van Yvonne Zonderop*), waar Joost Koopmans vorige week op doelde, probeert zij de vraag te beantwoorden waarom wij in Nederland zo radicaal van ons geloof zijn gevallen. Een van de verklaringen, meent zij, ligt in de benauwde constructie die kerken veelal waren geworden, waarin mensen zich opgesloten voelden. 

Terwijl men zich in het geloofsleven zou moeten voelen als een vis het water, in plaats van gehesen te worden in een maatpak.

Want, ik citeer, “op zich is Religie juist ontzettend ingenieus. Waar vind je nou een systeem waarin je individueel iets kunt beleven, maar waar je ook collectief iets aan hebt, iets dat een verhaal vertelt met een verleden en een toekomst, waarin je leefregels hebt en rituelen, en waar tegelijkertijd meervoudige interpretaties mogelijk zijn? Noem mij iets dat daaraan gelijk is, noem mij een ideologie die daarop lijkt. Die vind je niet." Einde citaat

Dat is waar. Maar steeds was er het gevaar van groei, institutionalisering en machtsvragen: in de joodse tempel, in de eerste christengemeenten, de roomse kerk en niet minder in die van de Reformatie, tot op de dag van vandaag. 

Zo groot kan het worden, maar in het klein kan het vast beter: 

“Dit is mijn gebod, dat jullie elkaar liefhebt, zoals ik jullie heb liefgehad.”

Tot slot: 

Zó moet het kunnen, ook hier in Effata: voorzichtig, praktisch en flexibel verder op weg: elkaar bijstaan, 

een geloofsgespreksgroep, een lunch na de viering, 

en in vertrouwen de deuren openen:  een Paasbrunch op het STIP en op 5 mei een bevrijdingsviering op ons kerkplein. 

Mogen wij zo verder gaan, gevoed en gesteund door ons geloof en in liefde verbonden. 

Amen.   

*) Yvonne Zonderop, “Ongelooflijk”