Overweging van Hans Hamers o.p.

Jes 6, 1-8,  Luc 5, 1-11

Thema: "Wij, Gods handen".

Zojuist hebben we twee roepingsverhalen gehoord, van Jesaja en van Simon met zijn vissersmaten Jakobus en Johannes. Deze verhalen vertellen ons iets over de relatie God-mens. Als God zich laat kennen aan een mens, deze roept, dan gebeurt er van alles. Overigens, roepingsverhalen kennen we vooral uit de bijbel, maar ze leren ons ook iets over geroepen worden in onze tijd. 

In de Jesaja-tekst vallen een paar dingen op wat betreft de enscenering. Het speelt zich af in de tempel. Voor Jesaja een vertrouwde omgeving is, als lid van de elite. Heel de tempel wordt gevuld door God, gezeten op een troon en serafs om God heen. Het siddert en schudt daar in de tempel, “Heilig, heilig, … groot is zijn macht en zijn heerlijkheid”. Zo ervaart Jesaja God. Het is een intense en indringende ervaring. Hij, Jesaja klein, en God is groot, groot als een koning, huiveringwekkend groot. Jesaja is klein. 

Bovendien, Jesaja ziet zichzelf als zondig: “Ik ben een mens met onreine lippen”. Hij vindt zichzelf het niet waard om de grootse godheid onder ogen te komen. Maar God vermindert de afstand. Een van de serafs komt zijn lippen zuiveren met vuur, zonde verdwenen en de schuld bedekt. Jesaja is zondig, zoals mensen dat nu eenmaal zijn. Zijn mens-zijn wordt hier benadrukt. De verhouding is nu anders. God zelf maakt contact met hem, overbrugt die enorme afstand van een nietige zichzelf als zondig beschouwende Jesaja tussen de hoogverheven God, Heer van alle machten. Dan, bij wijze van spreken ‘op ooghoogte’ biedt Jesaja zich aan als Gods instrument: “Hier ben ik, zend mij”.

In de evangelietekst van Lucas zien we dat ook Simon zich heel erg nietig voelt ten opzichte van Jezus. Daar gaat ook een indringende ervaring aan vooraf: Jezus heeft Simon, Jakobus en Johannes het water opgestuurd naar een plaats op een tijd waarop helemaal geen vis te vangen is, volgens de visserskennis en -ervaring van de mannen. Nadat Simon en zijn maten op gezag van de meester gehoorzamen, blijken ze enorm veel vis te vangen. Dat is niet te bevatten. Net als bij Jesaja: een indringende ervaring, en dan heeft Simon echt door wie Jezus is en zegt: “ga weg van mij heer, ik ben een zondig mens”. Maar Jezus zegt om op ‘op ooghoogte’ te komen:  “Wees niet bang” en vervolgens “voortaan zul je mensen vangen”. Simon, Jakobus en Johannes zijn geroepen en volgen Jezus.

In deze twee roepingsverhalen is de plaats van handeling waar men gewoon is te verblijven, de tempel en de boot. God en Jezus gaan een persoonlijk verbond aan met respectievelijk Jesaja en Simon als de verhouding bij wijze van spreken ‘op ooghoogte’ is gebracht. Hoe spreekt God ons nu in onze tijd aan? Hoe roept hij ons? Ook op ooghoogte? Rook, serafs, gouden troon, onbegrijpelijke visvangsten, zijn niet zo van deze tijd. Toch ‘roept’ God mensen, voortdurend.

Het is begonnen met Jezus van Nazareth. God had Jezus nodig om zijn bedoelingen van zichzelf met de mensen samen, duidelijk te maken. God liet met Jezus zien dat hij zijn werk van de schepping waar wij mensen deel van uitmaken, niet loslaat. “Niet laat varen het werk van zijn handen”. Maar de almachtige God is niet zó almachtig dat hij zijn rijk van vrede en gerechtigheid kan vestigen op eigen kracht. Met het roepen door God van de mensen, begonnen met Jezus van Nazareth weeft hij een netwerk van werkers aan dat rijk van vrede en gerechtigheid, dat ons in het vooruitzicht is gesteld.

Hoe wordt dat netwerk gewoven? Zo spectaculair met indringende Gods-ervaringen en roepingen als in de verhalen van Jesaja en Simon komt zeer zelden meer voor. Maar momenten van geroepen worden om ons in te zetten, dat is wel herkenbaar, bij onszelf of in onze directe omgeving. Denk aan de talloze mensen die op de stille roep van een hulpbehoevende naaste antwoorden door te gaan zorgen. Een stille roep zoals de hulpeloze blik van een oudere die zich realiseert dat dat ie het alleen niet meer redt. Dat blijkt een indringende, onthutsende ervaring. In stilte is het antwoord: “Hier ben ik, ik hou je vast”. Zo zijn talloze mantelzorgers begonnen met zorgen. 

In de praktijk van alledag zijn vele varianten hierop waar te nemen, ook bij onszelf. Ieder van ons mag zich dus de vraag stellen: “Wanneer werd ík geroepen? (dus bij die bewuste indringende ervaring). Wat heb ik toen geantwoord? Was ik bewust dat misschien God was die mij iets vroeg?”. Dát bewust zijn, door je leven heen geloven dat in de medemens het God is/kan zijn die zijn gelaat toont en zo vraagt en oproept. Wij weten gelovig dat het begonnen is met Jezus van Nazareth, en dat we kunnen vertrouwen op de kracht van de genade. Ook wij mensen kunnen het niet alleen.

Zo kunnen we een voorstelling maken hoe het netwerk van roepingen (“ik kan het niet alleen, wil je mij helpen”) werkt, begonnen met Jezus. En allen die zich verenigen rondom Jezus in dat enorme netwerk, tja dat is de kerk, de kerk die zo teken en instrument is van Gods innige verbondenheid met heel het menselijke geslacht. Zo zijn ‘wij, Gods handen’ toelevend en -werkend naar zijn rijk van vrede en gerechtigheid voor alle mensen.

Moge wij zo voortgaan.