Overweging van Hans Hamers o.p.

Gen. 1 en 2; Jes. 35, 1-4; en Lucas 24, 1-12.

In de veertigdagentijd hebben we met het thema “Herschep ons hart – behoed de schepping” geleefd. Vandaag gaat de eerste schrifttekst over het ontstaan van de schepping en eindigen we met de onrust in het hart, verwarring en onbegrip bij het lege graf. Het herscheppen van het hart, dat staat te gebeuren, met het doormaken van Pasen.

Wij mensen maken deel uit van de schepping. Deze is een voortdurend gebeuren van leven en dood gaan. Wij zitten daar midden in, tussen aanhalingstekens, klem tussen geboren worden en dood gaan, tussen onschuld van een net geboren kind en sterven als een mens die tekortgeschoten is. ‘Zondig’. Je zou kunnen zeggen: een leven van Kerstmis naar Goede Week. Maar daarop volgt Pasen, het mysterie van de opstanding van Jezus!

Overweging van Hans van Zonneveld.

1 Kor. 11, 23-26; Joh. 13, 1-15 en Mt. 26, 36-46.

Thema: “Een Kerk die niet dient, dient tot niets!”  

Goed beschouwd staat de wereld op zijn kop, deze middag, deze dag. Jezus doet iets wat mensen, zelfs zijn beste vrienden, verbaasd doet opkijken. Hij buigt zich voorover naar de mens met vuile voeten. Het werk van slaven. Het onverwachte gebaar. Hij zet de wereldorde op zijn kop. Je zou het verwachten van iemand die zijn gezonde verstand heeft verloren, Maar van Gods Zoon? Als het een verrassing is, heb je toch even niet goed opgelet.

Jezus, de Rabbi en meester, de Messias en zoon van God, wast de voeten van zijn leerlingen. In die tijd, zoals gezegd, het werk van slaven en lagere dienaars omdat voorname mensen zichzelf een dergelijk “vuil werk” niet wilden aandoen. Dat Jezus deze dienst aan zijn leerlingen verrichtte was een totale omkering van zowel de toenmalige als van de huidige maatschappelijke regels: de bestaande machtsverhoudingen  worden gewoon omgekeerd.

Overweging van Kees Scheffers.

Jesaja 43, 16-21, en Johannes 7, 53+ 8, 1-11.

Thema: "Maak ons vrij".

"Herschep  ons hart, heradem ons verstand,

opdat wij vrije mensen mogen worden."

Zo zou ik het thema van vandaag willen samenvatten.

Herschep ons hart, heradem ons verstand, opdat we vrije mensen worden. Ik begin hier mee, omdat ik vandaag naar Jezus kijkend een grote vrijheid zie. En volgens mij horen geloven en innerlijk vrij-zijn bij elkaar. Er is de uitdrukking, 'de vrijheid van de kinderen Gods'.     Francoise vond het maar een oudbakken uitdrukking. 

Bedoeld is natuurlijk dat wij,  als gelovigen,  vrije mensen zijn, of zouden moeten zijn, en vrijmoedig ook naar anderen. 

Jezus was zo’n vrije mens.

Ik herinner me nog hoe Nelson Mandela uit de gevangenis kwam, hoe hij was, als vrije mens. Het maakte diepe indruk hoe hij daar liep met zijn vrouw. Later zou hij niet uit vergelding handelen, maar juist vanuit verzoening.

Overweging van Ineke van Cuijk o.p.

Jozua 5, 9a,10-12, en Lucas 15,1-3, 11-32.

Thema:"Eindelijk thuis".

Het boek Jozua (we lezen er niet zo vaak uit) begint met de opdracht van de Heer aan Jozua, na de dood van Mozes: ‘U moet zich voorbereiden om met heel dit volk de Jordaan over te trekken naar het land dat Ik aan de Israëlieten ga geven, zoals Ik Mozes beloofd heb’. En ook: ‘wees zeer sterk en moedig en onderhoud nauwkeurig heel de Wet’. De vestiging van de Israëlitische stamgroepen is een complexe geschiedenis maar in het boek Jozua wordt dit ingewikkelde gebeuren vereenvoudigd en geïdealiseerd tot één grote veldtocht onder leiding van Jozua.

Overweging van Jan van der Wal.

Exodus 3, 1-8a, 13-15; en Lucas 13, 1-9.

Thema: "Draagt ons leven vrucht?".

Als het kwaad goede mensen treft. Dat zou de aloude vraag kunnen zijn van de Evangelietekst. De mensheid buigt zich al eeuwenlang over de vraag hoe het toch mogelijk is dat mensen onschuldig sterven door een ernstige ziekte, een tragisch ongeval, of erger, door een moordaanslag. Hoe kunnen we God ter sprake brengen als zich iets dergelijks voordoet? Hoe houden wij zicht op een goede en barmhartige God te midden van rampspoed en ellende? Een en ander doet een dringend beroep op ons rechtvaardigheidsgevoel. 

In de vraag naar het kwaad lijken Gods almacht en Gods barmhartigheid in het geding. Hoe staan zij in relatie tot elkaar, als het kwaad goede mensen treft? Kan God indien Hij almachtig is en tegelijk liefdevol, het lijden toestaan? Is ons lijden een straf voor eerdere zonden, door ons begaan of onze voorouders of zelfs door dit mensengeslacht, zoals in Jezus’ tijd gebruikelijk was te denken?

Overweging van Wim Rigters.

Deut. 26, 4-10, en Lucas 4, 1-13.

Thema: "Gij roept ons terug".

“Mijn vader was een zwervende Arameeër” . . . 

In 1801 migreerde de 15-jarige Johan Henrich Richters – mijn bet-bet-overgrootvader vanuit Ennigerloh in het toenmalige Pruisen naar Nederland. Hij was één van die vele Holland-gänger die in de 18e en begin 19e eeuw uit Duitsland, waar de levensomstandigheden op het platteland slecht waren, wegtrokken naar het welvarende Holland, Nederland, een land dat overvloeide van melk en honing. Hij kwam terecht in Schiedam, vond werk als branders-knecht – de vuren stoken en aanhouden in de jeneverstokerij – van ’s morgens 6 tot ’s avonds 10 uur – slavendienst tot aan zijn dood. Hij werd 58, gaf negen kinderen het leven, waarvan 6 zonen aanvankelijk hetzelfde slavenwerk verrichte en enkelen iets opklommen. Mijn opa was mandenmaker en mijn vader gediplomeerd typograaf met een eigen bedrijf: een drukkerij.

Overweging van Hans Hamers o.p.

Jes 6, 1-8,  Luc 5, 1-11

Thema: "Wij, Gods handen".

Zojuist hebben we twee roepingsverhalen gehoord, van Jesaja en van Simon met zijn vissersmaten Jakobus en Johannes. Deze verhalen vertellen ons iets over de relatie God-mens. Als God zich laat kennen aan een mens, deze roept, dan gebeurt er van alles. Overigens, roepingsverhalen kennen we vooral uit de bijbel, maar ze leren ons ook iets over geroepen worden in onze tijd. 

In de Jesaja-tekst vallen een paar dingen op wat betreft de enscenering. Het speelt zich af in de tempel. Voor Jesaja een vertrouwde omgeving is, als lid van de elite. Heel de tempel wordt gevuld door God, gezeten op een troon en serafs om God heen. Het siddert en schudt daar in de tempel, “Heilig, heilig, … groot is zijn macht en zijn heerlijkheid”. Zo ervaart Jesaja God. Het is een intense en indringende ervaring. Hij, Jesaja klein, en God is groot, groot als een koning, huiveringwekkend groot. Jesaja is klein. 

Bovendien, Jesaja ziet zichzelf als zondig: “Ik ben een mens met onreine lippen”. Hij vindt zichzelf het niet waard om de grootse godheid onder ogen te komen. Maar God vermindert de afstand. Een van de serafs komt zijn lippen zuiveren met vuur, zonde verdwenen en de schuld bedekt. Jesaja is zondig, zoals mensen dat nu eenmaal zijn. Zijn mens-zijn wordt hier benadrukt. De verhouding is nu anders. God zelf maakt contact met hem, overbrugt die enorme afstand van een nietige zichzelf als zondig beschouwende Jesaja tussen de hoogverheven God, Heer van alle machten. Dan, bij wijze van spreken ‘op ooghoogte’ biedt Jesaja zich aan als Gods instrument: “Hier ben ik, zend mij”.